Marcel van Dam schrijft in de Volkskrant dat beleid regelmatig onbedoelde effecten heeft. Daarin heeft van Dam natuurlijk gelijk. Van Dam komt op voor de onderkant van de samenleving, volgens hem mag de woningmarkt niet geliberaliseerd worden, omdat daardoor de armste mensen in de slechtste huizen moeten wonen.
Het zou wat zijn als de armste mensen door overheidsbeleid als een koning mochten leven. Een doorsnee burger die niets met politiek heeft, ziet alleen dat hij hard werkt om zijn huisje te betalen en dat in Van Dam’s ideale situatie, zijn buurman die niets uitvoert in hetzelfde soort huis mag wonen. Die burger zal de conclusie trekken dat arbeid niet loont en kijken of hij ook werkloos kan worden.
Geld maakt in essentie niet het verschil, er moet ook iemand zijn die brood bakt. De onbedoelde gevolgen van het helpen van de armen, is dat mensen minder brood gaan bakken. Zonder broodbakkers heb je niks aan je tien Euro. Van Dam heeft het in zijn knalrode column over het verdelen van de taart, terwijl het bakken van de taart veel belangrijker is.
Het spreekwoord luidt, “alles wat met ‘te’ begint is nooit goed, behalve tevreden”. Dat spreekwoord slaat de plank volledig mis is als het over armoedebestrijding gaat. Een onbedoeld gevolg van armoedebestrijding is namelijk dat een grote groep hulpontvangers eigenlijk wel tevreden is met de eigen situatie. Dat is de reden waarom deze mensen in het leven weliswaar een heleboel kansen zien langskomen, maar hun kansen niet pakken. Met dit soort tevredenheid wint luiheid van hebzucht. Men blijft dus hulpbehoevend, carrièrewerkloos.
Van Dam schrijft dat iedere hulpverlener je kan zeggen dat armoede de achterstand bevordert. En dat is een vertekend beeld van de werkelijkheid. Het is namelijk hulpverlening die achterstand bevordert, maar dat zal een hulpverlener natuurlijk nooit over zichzelf zeggen.
Hulpverlening heeft al heel wat economieën naar de afgrond gebracht; denk aan ontwikkelingshulp aan Kenia door de Amerikaanse stichting Care, of door de sociaal beleid in Venezuela.
Van Dam gaat nog even voorbij aan iets anders in zijn column. Tussen 1980 en 1985 is de Staatsschuld bijna verdubbeld. Er moest in de jaren tachtig wel bezuinigd worden, het geld dat werd uitgegeven hadden we immers niet. Bovendien ging het geld op aan consumptie en niet aan investering. Op dezelfde voet doorgaan zou hebben geleid tot een economische implosie.
Van Dam heeft het wel heel makkelijk over geld verdelen, maar er moet wel iets te verdelen zijn. Armoedehulp is volgens Van Dam moreel juist, maar de andere kant van de medaille is dat het ook moreel juist is dat hard werkende mensen tot in het oneindige “tevreden werklozen” moeten onderhouden, die het bijna net zo goed hebben als henzelf.
Van Dam verklaart dat delen een grotere deugd is dan presteren. Economische gelijkheid is alleen leuk als je er zelf beter van wordt. Vooralsnog houden mensen meer van hun auto dan van de Straatkrant verkoper bij de supermarkt. En zo denkt de Straatkrant verkoper er ook over, als ie ooit nog eens in de gelegenheid komt om een auto te bezitten. En daar is geen politieke marktmanipulatie tegen opgewassen.
Arme mensen moeten juist in de slechtste huizen wonen. Laat de 90% Ghetto-bewoners die niet in de gevangenis zit vooral ontevreden zijn over de eigen situatie. Juist dan zullen ze eerder geneigd zijn om er zelf voor te zorgen dat ze uit hun eigen ellende willen klimmen. Als de overheid ophoudt met haar economische obstructie, dan vinden deze armen veel makkelijker netjes betaald werk.
Bovendien kan de Politie veel meer aanzien winnen onder het volk, door de 10% Ghetto-boeven op te sluiten, dan dat ze ieder jaar zoveel mogelijk geld ophaalt met parkeer- en snelheidsboetes, waarmee nota bene de uitkeringen aan boeven en junks worden betaald.
Het zou wat zijn als de armste mensen door overheidsbeleid als een koning mochten leven. Een doorsnee burger die niets met politiek heeft, ziet alleen dat hij hard werkt om zijn huisje te betalen en dat in Van Dam’s ideale situatie, zijn buurman die niets uitvoert in hetzelfde soort huis mag wonen. Die burger zal de conclusie trekken dat arbeid niet loont en kijken of hij ook werkloos kan worden.
Geld maakt in essentie niet het verschil, er moet ook iemand zijn die brood bakt. De onbedoelde gevolgen van het helpen van de armen, is dat mensen minder brood gaan bakken. Zonder broodbakkers heb je niks aan je tien Euro. Van Dam heeft het in zijn knalrode column over het verdelen van de taart, terwijl het bakken van de taart veel belangrijker is.
Het spreekwoord luidt, “alles wat met ‘te’ begint is nooit goed, behalve tevreden”. Dat spreekwoord slaat de plank volledig mis is als het over armoedebestrijding gaat. Een onbedoeld gevolg van armoedebestrijding is namelijk dat een grote groep hulpontvangers eigenlijk wel tevreden is met de eigen situatie. Dat is de reden waarom deze mensen in het leven weliswaar een heleboel kansen zien langskomen, maar hun kansen niet pakken. Met dit soort tevredenheid wint luiheid van hebzucht. Men blijft dus hulpbehoevend, carrièrewerkloos.
Van Dam schrijft dat iedere hulpverlener je kan zeggen dat armoede de achterstand bevordert. En dat is een vertekend beeld van de werkelijkheid. Het is namelijk hulpverlening die achterstand bevordert, maar dat zal een hulpverlener natuurlijk nooit over zichzelf zeggen.
Hulpverlening heeft al heel wat economieën naar de afgrond gebracht; denk aan ontwikkelingshulp aan Kenia door de Amerikaanse stichting Care, of door de sociaal beleid in Venezuela.
Van Dam gaat nog even voorbij aan iets anders in zijn column. Tussen 1980 en 1985 is de Staatsschuld bijna verdubbeld. Er moest in de jaren tachtig wel bezuinigd worden, het geld dat werd uitgegeven hadden we immers niet. Bovendien ging het geld op aan consumptie en niet aan investering. Op dezelfde voet doorgaan zou hebben geleid tot een economische implosie.
Van Dam heeft het wel heel makkelijk over geld verdelen, maar er moet wel iets te verdelen zijn. Armoedehulp is volgens Van Dam moreel juist, maar de andere kant van de medaille is dat het ook moreel juist is dat hard werkende mensen tot in het oneindige “tevreden werklozen” moeten onderhouden, die het bijna net zo goed hebben als henzelf.
Van Dam verklaart dat delen een grotere deugd is dan presteren. Economische gelijkheid is alleen leuk als je er zelf beter van wordt. Vooralsnog houden mensen meer van hun auto dan van de Straatkrant verkoper bij de supermarkt. En zo denkt de Straatkrant verkoper er ook over, als ie ooit nog eens in de gelegenheid komt om een auto te bezitten. En daar is geen politieke marktmanipulatie tegen opgewassen.
Arme mensen moeten juist in de slechtste huizen wonen. Laat de 90% Ghetto-bewoners die niet in de gevangenis zit vooral ontevreden zijn over de eigen situatie. Juist dan zullen ze eerder geneigd zijn om er zelf voor te zorgen dat ze uit hun eigen ellende willen klimmen. Als de overheid ophoudt met haar economische obstructie, dan vinden deze armen veel makkelijker netjes betaald werk.
Bovendien kan de Politie veel meer aanzien winnen onder het volk, door de 10% Ghetto-boeven op te sluiten, dan dat ze ieder jaar zoveel mogelijk geld ophaalt met parkeer- en snelheidsboetes, waarmee nota bene de uitkeringen aan boeven en junks worden betaald.